Het soldatenleven - Een van onze voorouders, Godfroid Kempeneers, was soldaat. Het stukje wat hier volgt geeft een beeld van het leven van een soldaat in de 18e eeuw.
Voor 1795 waren alle soldaten vrijwilligers; niet uit vaderlandsliefde maar beroeps (vaak van vader op zoon) en kwamen vooral uit de arme provincies. Nationaliteit was van geen belang en soms vochten landgenoten tegen elkaar. Zwitsers bijvoorbeeld stonden bekend als goede vechters. Bevriende staatshoofden leverden in het begin complete regimenten. Meestal tekenden soldaten voor onbepaalde tijd: voor een campagne of tot er vrede gesloten werd; na 1750 voor een aantal (meestal 6) jaren, waarna ze zich in de laatste plaats vestigden als zelfstandige. Wervingscentra werden geleidelijk bekend. Nederland had ook in vredestijd een leger; de meeste andere landen eerst niet.
Voor 1795 had ieder regiment de naam van de commandant; daarna is de Franse nummering ingevoerd. Als een regimentscommandant overleed, werd hij meestal opgevolgd door een hoge officier van hetzelfde regiment. Soldaten werden nooit overgeplaatst naar een ander regiment binnen hun contract; officieren alleen na een promotie.
De kwaliteit van huisvesting was zeer verschillend: ingekwartierd bij burgers of in privé-huizen; in de garnizoensplaats of in dorpen in de buurt. Soldaten hadden vaak weinig ruimte. Er waren regels waar soldaten recht op hadden. Ze liepen altijd in uniform en de krijgstucht was heel streng; ze waren toch wel redelijk beschaafd en hadden een goede talenkennis. Soldatengezinnen vormden aparte gemeenschappen.
Er was een beloningssysteem voor moed maar Napoleon verving dit door onderscheidingen met een lintje; dit werd later overgenomen.
Men wilde niet dat de bevolking te eigen werd met de soldaten en daarom waren (in vredestijd) garnizoenswisselingen nodig. Het vervoer met vrouwen, kinderen en het weinige huisraad gebeurde meestal met platte schuiten en anders te voet. In oorlogstijd bleef het gezin in het garnizoen; jonge vrouwen gingen ook vaak naar familie. Bij een voorgenomen huwelijk was ook toestemming van de kapitein nodig; bigamie werd zo voorkomen. Trouwen gebeurde ook weleens in een dorp waar ze voorbij trokken, dus geen garnizoensplaats.
Problemen met betalen kwam voor, vooral
aan de vrouwen. De compagniescommandant zag zijn compagnie als een
eigen bedrijfje en liet liever zijn mannen plunderen dan soldij
betalen. En soldaat was lang niet altijd in zijn garnizoen; een
incomplete compagnie was voor de commandant aantrekkelijk als hij
gelden voor een volledige compagnie ontving. Daarom werden tellingen
gehouden: monstering der troepen. Na 1795 werd het centraal door
de overheid geregeld. Voor oude en verminkte soldaten werd goed
gezorgd. De medische situatie was slecht maar toch nog beter dan
voor een boer op het platteland omdat altijd hulp voorhanden was.
De chirurgijn was echter meestal een gewone soldaat die handig was
met gereedschap. Het aantal zieken was ook in vredestijd hoog. Er
gingen meer soldaten dood door creperen dan door sneuvelen: het
waren dure mensen voor de staten en men vocht alleen als er een
redelijke kans op slagen was.
(bron: lezing H.J. Wolters)