De Leeuwenmolen - waar onze voorvader Laurentius (IV-f) mogelijk werkzaam is geweest. Dit is niet met zekerheid vastgesteld, maar de molen bevond zich wel in de straat waar Laurentius woonde. In zijn overlijdensakte is de straat, de Sint Pieterstraat, genoemd als zijn adres. De onderstaande beschrijving van de molen is afkomstig van de website de Nederlandse Molendatabase. In deze beschrijving wordt als echtgenote van een van de molenaars Maria Catharina Kempeneers genoemd. Zij was een nakomeling van ene Arnoldus Kempeneers die in 1735 in Sint Geertruid is getrouwd. Tot nu toe is er nog geen link naar onze stamboom gevonden. Mogelijk komt deze tak oorspronkelijk ook uit de buurt van Neerlanden. Bekend is wel dat er begin 1600 al personen met de naam Kempeneers in Maastricht woonden. Klik hier voor de voorouders van Maria Catharina.
![]()
In de 19e eeuw
stroomde de zuidelijke tak van de Jeker vanaf de Reek aan de buitenzijde
langs de vesting over het grondgebied van de vroegere gemeente Sint
Pieter om met een bocht voorbij de voormalige Sint Pieterspoort
in de stad Maastricht te stromen. Tegen de walmuur bevindt zich
nog steeds een grote stuw, die vroeger vier raderen van water voorzag
en tevens als waterlossing fungeerde.
Twee molens lagen op de linkeroever aan de Sint Pieterstraat. De
bovenste daarvan stond het dichtst bij de Sint Pieterspoort en werd
tot in de 19e eeuw de Hofkensmolen genoemd. De onderste molen lag
aan een onderdoorgang in de Sint Pieterstraat, de Molenpoort genaamd,
die toegang tot de Leeuwenmolen op de rechteroever gaf.
![]() - De Leeuwenmolen in Maastricht - |
De Leeuwenmolen op de rechteroever werd later ook de molen van Clemens
genoemd. Hij was met zijn twee waterraderen de grootste graan- en
vroeger ook looimolen op de Jeker binnen de vesting. Vrijwel elke
molen had een paardestal. Paarden waren tot in het begin van de
20e eeuw onmisbaar in het molenbedrijf. Dagelijks moesten de molenkarren
uitrijden om het maalgoed bij de klanten op te halen en weer thuis
te brengen. Het was een oud gebruik, en na de afschaffing van de
banaliteit een vorm van dienstverlening, die overigens betaald moest
worden. Het maalloon was voor die klanten hoger dan voor degenen
die zelf naar de molen kwamen.
In de 16e eeuw werden de molens op de linkeroever onderscheidelijk
de Overste- en de Onderste Neustadmolen genoemd. De ligging van
de molens naast elkaar en tegenover elkaar en met verschillende
eigenaren gaf al vroeg aanleiding tot geschillen over de waterverdeling.
Bauduin vermeldt hoe een geschil daarover in 1627 door de loojers
die de molens exploiteerden, op eenvoudige wijze werd opgelost.
Zij kwamen overeen dat de ene dag de molen op de rechteroever zou
malen en de volgende dag de molen op de linkeroever. Het is aannemelijk
dat dergelijke afspraken ook later zun gemaakt, toen het water over
de molens van drie verschillende eigenaren moest worden verdeeld,
vooral als in droge seizoenen de wateraanvoer beperkt was.
De molengebouwen
dateren uit de 16e tot de 18e eeuw. Ze zijn opgetrokken van mergelsteen,
Naamse hardsteen en baksteen. Het merendeel van de gevels was wit
gesausd. Ramen, deuren en asgaten hadden hardstenen omlijstingen.
De Hofkensmolen had een mansardedak gedekt met leien; de Leeuwenmolen
en de molen bij de Molenpoort een pannen-zadeldak. Een gevelsteen
in de Leeuwenmolen draagt het jaartal 1694, waarin de molen werd
herbouwd. Op de topgevel stond vroeger een stenen beeld van een
leeuw.
Hoewel reeds lang geen molens meer, staken een groot aantal jaren
de half vergane houten molenassen nog door de muuropeningen naar
buiten.
Tot in het begin van de 20e eeuw was de Jekertak in de Molenhoek
door een hoge stenen muur voor nieuwsgierigen aan het zicht onttrokken
en was er van een pittoresk hoekje geen sprake. Na de afbraak van
de muur maakte het geheel een nogal rommelige en verwaarloosde indruk.
Bij de sanering in de jaren zeventig werden de oude molengebouwen
aan de Sint Pieterstraat gerestaureerd en, voor zover dat nog niet
het geval was, als woning ingericht.
De bekende
Maastrichtse molenaar Gilles Loneux hield inhet begin van de 19e
eeuw de molen met het aangrenzende huis van de kerkfabriek van Sint
Servaas in erfpacht. In wezen was de molen van de Armentafel van
Sint Servaas en kwam de pacht ten goede aan de armen die van deze
tafel een ondersteuning genoten. Het bestuur van de kerkfabriek,
zoals de organisatie voor de behartiging van materiële kerkzaken,
thans kerkbestuur, werd genoemd en de Armentafel brachten deze bezittingen
op 4 maart 1839 in openbare verkoop. De nieuwe eigenaar werd de
erfpachter Gilles Loneux.
Loneux, die gehuwd was met Maria Catharina Kempeneers schijnt
niet alleen een bekwame molenaar te zijn geweest - hij werd meester-molenaar
genoemd naar het oude ambachtsgilde - maar ook een goed koopman.
In zijn tijd verwierf en exploiteerde hij de Leeuwenmolen, een watermolen
op Nekum, de Lombokmolen (een naam die de molen pas later kreeg)
in het Biesland beide in de gemeente Oud-Vroenhoven gelegen, een
van de Weijermolens op Bonnefanten, alsmede de molen op de hoek
van de Molenpoort, die hij in 1851 van Anna Maria Olmans aankocht.
In 1823 was hij ook pachter van de Platsmolen in Nuth.Bij zijn overlijden
in 1858 liet Loneux de molens met alles wat ertoe behoorde na aan
zijn vrouw en de kinderen Eustachius, Hubertus, Henricus en verdere
erfgenamen en mede-eigenaren. Maria Catharina Kempeneers,
de weduwe van Loneux, beheerde op latere leeftijd haar zaken niet
meer tot tevredenheid van de kinderen en werd onder curatele gesteld.
De kinderen besloten tenslotte de molens te verkopen.
In verband daarmee verschenen op 26 november 1872 bij notaris mr.
J.W.H. Haenen: Johannes Ludovicus Loneux, herbergier in Maastricht,
handelende in eigen naam als in hoedanigheid van toeziend curator
over zijn moeder, alsmede Hubertus Henricus Loneux, zonder beroep
uit Oud-Vroenhoven en weduwnaar van Maria Jansen, ten einde de openbare
verkoop van enige eigendommen, waaronder de Leeuwenmolen en de eerder
genoemde graanmolen met huis in het Biesland te regelen. De Leeuwenmolen
met aanhorigheden werd toegewezen aan de hoogst biedende: de leerlooier
Gerardus Hubertus Becker.
Becker bleef zestien jaar in het bezit van de molen, waarna de eigenaren
elkaar snel opvolgden. In 1889 werd de molen door koop eigendom
van de Maastrichtse koopman Eugene of Clemens Christianus Eugenius
Hustinx. In 1898 werd de molen met aanhorigheden door de gemeente
Maastricht van de familie Hustinx gekocht. Een jaar later verkocht
de gemeente hem aan de Maastrichtse molenaar Hendrikus Hubertus
Clemens, naar wie de molen later doorgaans werd genoemd.
![]() - Een opname van de molen uit 2003 - |
De sluizen van de molen bevonden zich op het einde van de 19e eeuw in slechte staat. In 1899 kregen molenaar Clemens en Jules Regout, die eigenaar was van de Hofkensmolen, van het provinciaal bestuur toestemming om dit waterwerk te vemieuwen. Dat was tegen de zin van Hendrik Coopman, eigenaar van de lager gelegen looimolen aan de Vijf Koppen. De molen van Clemens was omstreeks 1900 de enige molen in die hoek die nog maalvaardig was. Het is echter mogelijk dat hij een aantal jaren buiten gebruik is geweest, waardoor de toestand van de sluizen zeer was verslechterd zodat Coopman veel water tot zijn beschikking had. Bij vernieuwing van de sluizen vreesde hij dan ook dat zijn molen minder water zou krijgen. Coopman diende bij het provinciaal bestuur een bezwaarschrift in, dat echter niet ontvankelijk werd verklaard. Regout zag van enig herstel af omdat de waterkracht voor zijn bedrijf niet meer van belang was.

- een opname van de molen uit 1915 -